Berg en dal (…)

Berg, jij staat hier weer voor mij. Ik heb je vandaag nog niet goed bekeken. Dezelfde als gisteren maar anders in het licht van vandaag.

Het ontbijtgebabbel heeft de mooie ochtend al half opgegeten. Brengt het soelaas om oude dingen op te roeren en uit te speken of is het misschien ook goed om over iets te zwijgen?  Spreken doet weer leven. Zwijgen koestert hoop op vergeten.

Ben jij hol of ben jij vol vanbinnen? Hoe zie jij er daar vanbinnen uit? En hoe is het voor jou dat mensen daar komen wroeten en zich moeien met jouw binnenkant?

Wat als alles stil valt en de middelpuntvliedende kracht van de dagelijkse drukte je niet meer tegen de wand gekleefd houdt? Glijd je dan langs de flanken neerwaarts in de kolkende stroom van ijskoud bergwater?

De zon schijnt achter de berg, achter de wolken. Ik zie ze, hoe ze de randen goud kleurt, de achtergrond oplicht als een schimmenspel.

Berg en dal (..)

Jij Berg, jij staat in het midden van mijn zicht momenteel. Wij hebben uw flanken gisteren bekropen tot het lijf echt niet meer kon. Moeten stoppen om op te laden. Maar wel volgehouden. Tot boven de boomgrens. Daar waar bomen het hadden opgegeven.

Uitgeteld op de bank keken we daarna naar het muzikale verhaal van The Eagles. Creativiteit vind je in de diepe lagen van je persoonlijkheid, zeiden ze. Je moet dus afdalen langs de flanken van je innerlijke.

Toch was er bij The Eagles ook schoonheid ontstaan uit toevalligheid. Een oefenmoment, een opwarmrifke, een argeloos deuntje in de auto of onder de douche, een gesprekje, een zinnetje, een eerste noot.

Dat kan ook.

Eeuwige sneeuw ligt op de top, als een kanten sluier over het hoofd van de berg. De verre bergtoppen zijn vandaag niet te onderscheiden van de witte wolkjes die het hemelblauw versieren en langzaam inpalmen.

Ook dat kan.

Berg en dal (.)

Ik sta voor een berg. Zo hoog dat het einde niet zichtbaar is. De hoge top zit in de wolken. Plukjes wolk hangen over de groene sparren geweven als engelenhaar, hier en daar, niet veel.

Als gedimde zoeklichten schuift de zon plekken licht over de flanken uitpuilende natuur. De allergrootste doos Caran d’Ache bezit niet eens alle groenen die ik hier zie.

Het is elf uur. Ik hoor het. Ik kan de klok niet zien maar wel het torengat. Het klinkt hierboven alsof ik er vlak naast sta. Ik wil eens naar beneden lopen, naar het kerkje dat er tijdloos bij staat en om het half uur aan iedereen laat weten hoe laat het is.

Waarom doe ik niet voort? Waarom ligt mijn pen weer neer en kijk ik liever naar jou, Berg? Zo maar mijn binnenste naar buiten gooien op een blad, zo maar mezelf door het torengat gooien, het legt me lam.

De mist hangt het niet meer uit. De berg staat er nog, voor me, de bovenrand is zichtbaar nu. Het zeldzame boompje dat daar boven staat ziet er prutsig klein uit.

In het echt is het waarschijnlijk sterk en groot.

Op reis

Slapen in het bed van iedereen, ook dat is reizen. De eerste nacht gaat nooit diep. Elk geluid roept vragen op.

We gaan langs rurale B en B ’s en landschappen die ontsnappen aan tijd en ontginvlijt. De weiden liggen er strak gestrekt en frisgroen bij. De rand van het bos trekt een groene grens aan de einder van het lege veld. Alle hooi is binnen gehaald.

De hooiwagens zitten in de badkamer. Onschuldig dun hangen ze daar aan een onzichtbare draad. Buiten loopt een hoenderfamilie in ongeziene vederpracht. Eén van de hennen is leeg gepikt. Op haar rug ligt een rode plek bloot kippenvlees. Huiselijk gepluimd.

Oog in oog nu met de haan. Brutale oogspleetjes aan weerszijden van zijn gele bek. Daaronder hangen twee lange felrode lellen. De lange veren van zijn staart wapperen pronkerig in de bosbries. Hij heeft drie hennen ter zijner beschikking. Daar is één kuiken van gekomen. Het lijkt op hem. Het kleine ding weet soms niet welke kant het op moet. Het trip-trapt bijna met zijn onvolwassen bek tegen een bloempot. Nu en dan gaat de haan op zijn tenen staan en spreidt zijn vleugels, klappert breeduit. Hij wil indruk maken. Het werkt. Ik ga achteruit.

Ooit zag ik een haan een vrouw langs achteren bespringen. Zij hing de was op in een gênant kort zomerjurkje. De haan sprong op haar billen en gleed met uitgeslagen vleugels klapwiekend langs haar benen neer. Een spoor lelijke krassen bleef achter in haar vel.

De kloek is met haar kuiken ons huisje ingelopen. Ze wil iets. Ik ruk uit. Voor kloeken deins ik niet terug.

Zonde

Als het eenzaam voelen al onder je vel zit kan je hier maar beter weg blijven. Verlatenheid kruipt tegen de gelige natuursteen van de gevels als klimop. Straten zijn leeg, winkelpanden staan te huur, nergens speelt een kind, geen kat op een vensterbank, geen hond die blaft. Noord-Frankrijk is mooi, leeg, nutteloos.

Weglopen is geen oplossing. Van Stenay naar Sedan, het verandert niks. Winkels zijn leeg, terrasjes ook, hier en daar een volhouder in een hoog dichtgeritste zomervest.

Midden op het marktplein staat een kleine zestiger met gehavend gebit en veel te grote gitaar op te treden. Zijn versterker staat onwaarschijnlijk luid. Hij legt de hele omgeving het zwijgen op, niet met schoonheid van gezang maar met decibels.

De verkoper van het kraam wat verderop begint alles weer in te pakken. Geen gegadigden voor shorts en topjes, vandaag niet. Al de hele week niet, de hele maand niet. De marktkramer rekt zich uit om de gebundelde kleerhangers los te maken van het bovenste deel van zijn regentent en draagt ze naar een bestelwagen. Ik vraag me af of hij kleding verkoopt in de eigen maat. Telkens hij zich oprekt komt er onder zijn T-shirt een gezwel van een buik tevoorschijn. Zo een buik heb ik nog nooit gezien. Als een reuze-waterzak hangt hij boven de broeksband te bengelen tegen al wat onder die broeksband schuilt. De huid op de voorzijde is donkerpaars, als een verjaard hematoom ter grootte van een keukenhanddoek.

Ik leerde uitvoerig dat je mensen niet mag aanstaren. Maar dit moet ik toch nog even zien. Ik kijk dus even, en dan weer, en om en terug en weer. Allemaal scheutjes verbaasde blik na mekaar. Verkapt staren is niet zo erg.

Maanvol

De maan is vol. Bomvol. Het is alsof iemand één enkel gat heeft geperforeerd in de zwarte ballon waarin ik, als onder een koepel, schuil. Aan de andere kant, daarbuiten, schijnt een witte zon.

Een lange streep licht valt zomaar binnen door het open raam. De nacht is gedrenkt in stilte. Zou iemand die niet kan horen altijd in deze stilte zijn? Ik sluit de ogen. De witte zon is weg. Zou iemand die niet kan zien toch voelen waar die maan zo vol van is?

Jij zegt iets in je slaap. Mondvol.

Alles is meteen voorbij.

Karakterdames

Vroeg hij niet eerst of ze misschien “een dame met karakter” was ?

Voor hij de injectienaald onderhuids in haar gespierde hals duwt, wil hij zeker zijn dat dit zich niet achterwaarts tegen hem keert. Een prang lijkt opportuun. Ik kijk weg zodra hij haar zachte lippen door de lus van het ruwe touw trekt en de knuppel aandraait. Ik roep : STOP !

Zou hij het anders doen als zij een gewoon exemplaar was, een nultemperament, een paard met lede ogen zoals hij haar nu had gemaakt, wankelend op vier lange benen? Een dame zonder karakter, weerloos, geestloos, overgeleverd aan zijn mannenhanden.

Zou het niet zijn om haar beslagen voeten weer pijnloos en krachtig over de aarde te horen dreunen, dan deed ik dit niet. Nooit.

We fixeerden ons angstig op elke oneffenheid, elke versnelling. Iedere uitbarsting van energie en geluk werd bang in de kiem gesmoord, beteugeld, wegens risico op letsel. Uitbarstingen van vreugde en kracht verhinderen ontzielt karakterdames.

Sindsdien zijn we niet meer gebarsten. We verdwijnen weer samen in de wijde weidse wereld en kunnen opnieuw alle broosheid achterlaten. Of toch voor even de illusie niet meer breekbaar te zijn.

Danser sur l’herbe

Het is heet. Schoenzolen kleven aan trottoirs. Te weinig schaduw. Of volzet. Roetwalm van autobussen trekt in klamme huid. Muziek sijpelt door gesloten vensterluiken. Een claxon, een balkonruzie, een terrasevenement.

Het is wachten tot de dag wentelt en haar fakkel doorgeeft aan de avondbries.

In de zakkende zon hangt Parijs als een zilveren amulet aan de waterdraad die de Seine is. Langs de oevers van dit diepe water liggen boten te wachten tot het nachtleven ontwaakt. Bomen kleuren zwart tegen de nog amper klare lucht.

En daar, op de smalle graskant langs het water, dansen mensen dicht in duo’s trage tango-passen. Slow motion voor beginners. Een schaduwbal van mensen, wel of niet gekleurd, al dan niet gerimpeld, getekend door hun leven. Een retro-tafereel van onschuld en nostalgie, van vredige eenvoud.

Of hoe de tijd die nooit stil staat toch ook vasthoudt en bewaart.