K: Verdekke zeg, wat is me dat hier? Psssttt. Hey. Hallo? Halloo-oo?
Hoort iemand mij?
S: Ja ik hoor je.
K: Aha toch iémand daar! Kan je je even voorstellen?
S: Ik ben het, Schaap.
K: Hoi kuddedier. Ik ben Kameel.
S: Wat is er? Waarom al dat gedoe?
K: Gedoe?
S: Wat is het probleem Kameel?
K: Ik heb hier onvoldoende plek. Kan jij niet wat opzij?
S: Nee, echt niet eigenlijk.
K: Jij kan toch wel je buik wat intrekken of je poten plooien?
S: Dat doe ik al, ik maak me zo klein mogelijk. Dat doen we hier trouwens allemaal.
K: Kan je niet wat zakken dan?
S: Nee, lukt niet.
K: Wie zit er onder jou?
S: De kerstboompunt. De Piek. Die verdraagt niet de zachtaardigste aanraking. Hij is beschamend bang voor schade, onmiddellijk in breek-paniek, laat staan punt er af! Hij wordt al onwel van de gedachte.
K: Die piek die nog maar net onze dennenboom tooide?
S: Ja tuurlijk, die, er is geen tweede zoals hij.
K: Waant zich de eerste minister van het kerstgebeuren?
S: Zo je wil.
K: Maar in feite een broekschijter als hij niet meer in positie staat?
S: Hij heeft natuurlijk wel een risicovolle job. Hij verwacht daar respect voor.
K: OK Ok, maar hij moet wel niet overdrijven hé. Ik wil straks ook geen kameel zijn met platte bulten. Ik kan zelfs opperen dat ik twee pieken heb! Als ik hier niet vlug wat ruimte krijg zal ik me moeten boos maken. Zeg Schaap, kan je niet wat meer naar achter dan?
S: Maar neen Kameel, als dat kon dan had ik dat toch al wel gedaan zeker!
K: Waarom niet?
S: Onder mij de fobische kerstboompunt, achter mij een hoop droge denappels, breekbaar en stekelig, zelfs met mijn dikke jas. Wat wil je dat ik doe?
K: Naar voren dan?
S: Onmogelijk. Daar ligt een dubbelgevouwen kerstman met z’n onderrug tegen mijn neus. Als ik hem onder druk zet zingt hij Jinglebells. Heb jij zin om dat drie seizoenen lang te horen?
K: Wà-at? Drie seizoenen?
S: Ja, ’t is over met licht en lucht en aandacht Kameel, gedaan met sfeervol kaarslicht en kinderoogjes vol sterretjes die je bewonderen.
K: Daar nog aan toe! Drie seizoenen in deze donkere doos opgevouwen zitten? Dagen als nachten, nooit zon? Neen, daar pas ik voor, daar ben ik niet voor geschapen, daar ga ik niet in mee.
S: Je bent pas nieuw Kameel, het went. Wij doen het al jaren: zwijgen, adem inhouden en aftellen naar Kerst. Naarmate je ouder wordt komt Kerst trouwens steeds sneller.
K: Wennen is gevaarlijk Schaap. Wie went, wordt blind. Nee, ik doe niet mee. Ik zal nooit wennen aan duisternis, ik wil het niet eens een kans geven. Ik laat me niet levend begraven! Ik ben ook niet van plan mijn bulten te laten pletten of mijn lange stelten in een knoop te draaien tot de dagen weer op hun kortst zijn. Mijn mond houden kan ik evenmin. Ik ben er van door. Plooi jij je maar schaapachtig naar de plek die je krijgt toebedeeld. Hou jij je adem maar in tot de kerstster weer mag rijzen en onze Piek weer kan pronken.
Doe ze de groeten !