Er op en er aan.

‘Ik vind dat seks overroepen is. Niks zo erg overroepen als seks.’ Hij leunt achterover, bekijkt de tafelgenoten een voor een. Zijn handen strelen het linnen dat over de tafelrand hangt.

Wij zijn te laat toegekomen, hebben het aperitief en voorafgaand gesprek gemist. De openhartigheid van onze vriend overvalt ons. Als hij hoopt op debat, moet de stilte die valt heel verwarrend zijn.

‘Wil je iets kwijt over je teleurstelling?’ vraagt de dapperste onder de Galliërs.

Hij zwijgt, prikt met zijn vork in een reepje gerookte zalm dat er weer af glijdt.

De avond babbelt verder over sterrenrestaurants. Maanden op voorhand te reserveren. Het genoegen uit te kijken, te watertanden, te verlangen. En dan de ervaring zelf. Prikkelend. Zinnenstrelend. Een totaalbeleving. Alles er op en er aan.

Zijn vrouw wil ook iets zeggen. Hij duwt zijn wijsvinger op haar lippen.

‘Neen schat, het waren geen twee sterren. Het waren er drie.’

B en B

We willen er eens tussenuit. Enkele daagjes, niet te ver, gewoon even een ander decor.

We zoeken op het internet.

Het is niet simpel om zicht te krijgen op wat en hoe. Ik weet graag waar ik terecht kom, van terras tot bed, het zicht uit het raam, de directe omgeving. Wat krijg ik te zien? Een patchwork hartje aan een deurklink, een volle WC-rol op een houder, de poes des huizes, een ei in een dopje, een roos in de knop, een close-up van een gedesïnfecteerde koelkast, de sproeikop van de regendouche, de deurbel, een blozende appel aan een tak, een schemerlamp, een kikker in een sloot vol kroos.

Me mijlen verplaatsen en betalen om dat enkele dagen live mee te maken, op te drukken, aan te trekken of onder te staan, nee, dat ben ik niet van plan.

Wie zegt trouwens dat die kikker daar dan nog zit?

?

Ik had hem willen lezen.

Gisteren kruiste ik een man op een voetpad vol drukte. Hij liep links, ik passeerde langs rechts. De tijd om mekaar te kruisen, amper meer dan dat, niet meer of langer kijken dan nodig om niet tegen mekaar aan te lopen.

Een ongelooflijke veelheid aan zwarte en rode tatoeages vulde zijn vel. Rond zijn oren, in zijn nek, om zijn hals, op zijn schouders en borst. Zijn gelaat helemaal overschreven. Armen zonder witruimte, handen, ellebogen, vingers vol. Zijn voorkant en zijn achterkant en alles daartussenin. Ook alles wat te zien was onder zijn short, zijn enkels en benen en voeten en tenen. Hij droeg Birkenstocks.

Op zijn kale hoofd stond een groot fors vraagteken.

Het enige wat ik echt zàg.

Sinds dan weet ik het ook niet meer.

Bubbels

Mogen blijven liggen als ik wakker ben en ze voelen borrelen in mijn buik niet alleen de woorden maar alle dingen die me gelukkig maken

Vanochtend kon dat, blijven liggen. Woorden dwarrelden zo maar in het rond, ze dansten in de ochtendlucht, fris en vochtig nog

het raam al heel de nacht open, het dekbed helemaal toe om alle warmte stil en dichtbij te houden, en jij ook, stil en dichtbij

tussen de koude lucht en de warme woorden

Super

In onze supermarkt is er altijd wat te doen. Je kan er van alles kopen maar ook van alles krijgen. ‘Actie’ heet dat. Je moet inderdaad iets ondernemen: zegeltjes sparen en kleven en dan inruilen, meestal nog een hap bijleggen. Deze keer is het voor tuingerief. Het waren ook al eens hoofdkussens, handdoeken, kookpotten, messen en vorken, glazen, reistassen, badjassen, servies. Het hele dorp ontbijt uit dezelfde borden in dezelfde ochtendjas.

Ik stond aan kassa twee, begon mijn waren op de loop-koop-band te leggen die kwam aangeschoven. Aan de uitgang van kassa drie liet een vrouw haar koopwaar neerwaarts glijden in een, vermoed ik, boodschappentrekzak. De wenkbrauwen die ze zichzelf had opgetekend stonden ergens halfweg de haarlijn en de wenkbrauwboog. Het zag er verbazingwekkend uit.

Aan de inloopzijde van de kassa’s was een oudere man het karrenverkeer aan het regelen. Hij wilde daarbij voorrang verlenen aan de kar die geduwd werd door zijn echtgenote. Zijn vrouw had net haar kar geparkeerd bij de reeds zwaar beladen band van kassa vier en stond in de tijdschriften te neuzen in het rek naast kassa vijf. De man die zich bij kassa één in het zweet stond te zwaaien kreeg haar aandacht niet te pakken en liep terug. Boven zijn wenkbrauwboog hingen donderwolken.

Tussendoor had ik mijn kar leeg gestapeld op de band. De vrouw aan de kop van onze rij kende de code van haar bankkaart niet meer. De spanning steeg nog meer na de tweede poging. Ze belde haar man, deed het dan juist. Of ze spaarzegeltjes wou voor de actie? Ze fronste de wenkbrauwen, keerde zich naar ons en vroeg: ‘Wie wil mijn zegeltjes voor tuingereedschap?’ De man die tussen ons in stond, antwoordde ‘ik heb mijn gerief’ en draaide zich naar mij met een vette knipoog.

De vrouw vertrok met volle tassen, met de man voor mij was vlug afgerekend. Hij kocht enkel sterke drank.

Kite

Ik ben aan zee geweest. Ze was zacht en rustig, bescheiden schuimend tastend naar het strand. Daar legde ze schelpen neer. Terwijl ik daar liep tussen zand en strand veranderde alles. Op een duintop bleef ik staan.

Het is niet de zee die woeste golven maakt maar wel de wind, koppige koppen wit op een grijze massa. Kleine scheepjes klotsen op het water in de greep van de aantrekkende westenwind. Tegen de einder glijden olietankers en containerschepen als kartonnen borden in een decor.

Vooraan is één mens. Eén mens in het water. Je ziet hem enkel omdat hij aan touwtjes hangt van een windvlieger die wild heen en weer slaat tegen de overheersende ongrijpbare wind. Golf na golf na golf draait de plank tussen wind en water. Ze blinkt als een zon.

Wanneer de strak gespannen vlaggen op het strand weer wapperen, bedaart de zee. Zand blijft liggen, schelpen ontspannen, een wolk blijft hangen waar ze hing. Ik kom weer in beweging.

Kerstpraat

K: Verdekke zeg, wat is me dat hier? Psssttt. Hey. Hallo? Halloo-oo?

    Hoort iemand mij?

S: Ja ik hoor je.

K: Aha toch iémand daar! Kan je je even voorstellen?

S: Ik ben het, Schaap.

K: Hoi kuddedier. Ik ben Kameel.

S: Wat is er? Waarom al dat gedoe?

K: Gedoe?

S: Wat is het probleem Kameel?

K: Ik heb hier onvoldoende plek. Kan jij niet wat opzij?

S: Nee, echt niet eigenlijk.

K: Jij kan toch wel je buik wat intrekken of je poten plooien?

S: Dat doe ik al, ik maak me zo klein mogelijk. Dat doen we hier trouwens allemaal.

K: Kan je niet wat zakken dan?

S: Nee, lukt niet.

K: Wie zit er onder jou?

S: De kerstboompunt. De Piek. Die verdraagt niet de zachtaardigste aanraking. Hij is beschamend bang voor schade, onmiddellijk in breek-paniek, laat staan punt er af! Hij wordt al onwel van de gedachte.

K: Die piek die nog maar net onze dennenboom tooide?

S: Ja tuurlijk, die, er is geen tweede zoals hij.

K: Waant zich de eerste minister van het kerstgebeuren?

S: Zo je wil.

K: Maar in feite een broekschijter als hij niet meer in positie staat?

S: Hij heeft natuurlijk wel een risicovolle job. Hij verwacht daar respect voor.

K: OK Ok, maar hij moet wel niet overdrijven hé. Ik wil straks ook geen kameel zijn met platte bulten. Ik kan zelfs opperen dat ik twee pieken heb! Als ik hier niet vlug wat ruimte krijg zal ik me moeten boos maken. Zeg Schaap, kan je niet wat meer naar achter dan?

S: Maar neen Kameel, als dat kon dan had ik dat toch al wel gedaan zeker!

K: Waarom niet?

S: Onder mij de fobische kerstboompunt, achter mij een hoop droge denappels, breekbaar en stekelig, zelfs met mijn dikke jas. Wat wil je dat ik doe?

K: Naar voren dan?

S: Onmogelijk. Daar ligt een dubbelgevouwen kerstman met z’n onderrug tegen mijn neus. Als ik hem onder druk zet zingt hij Jinglebells. Heb jij zin om dat drie seizoenen lang te horen?

K: Wà-at? Drie seizoenen?

S: Ja, ’t is over met licht en lucht en aandacht Kameel, gedaan met sfeervol kaarslicht en kinderoogjes vol sterretjes die je bewonderen.

K: Daar nog aan toe! Drie seizoenen in deze donkere doos opgevouwen zitten? Dagen als nachten, nooit zon? Neen, daar pas ik voor, daar ben ik niet voor geschapen, daar ga ik niet in mee.

S: Je bent pas nieuw Kameel, het went. Wij doen het al jaren: zwijgen, adem inhouden en aftellen naar Kerst. Naarmate je ouder wordt komt Kerst trouwens steeds sneller.

K: Wennen is gevaarlijk Schaap. Wie went, wordt blind. Nee, ik doe niet mee. Ik zal nooit wennen aan duisternis, ik wil het niet eens een kans geven. Ik laat me niet levend begraven! Ik ben ook niet van plan mijn bulten te laten pletten of mijn lange stelten in een knoop te draaien tot de dagen weer op hun kortst zijn. Mijn mond houden kan ik evenmin. Ik ben er van door. Plooi jij je maar schaapachtig naar de plek die je krijgt toebedeeld. Hou jij je adem maar in tot de kerstster weer mag rijzen en onze Piek weer kan pronken.

Doe ze de groeten !